Wolfgang Cortjaens
Amis gothiques - Der Briefwechsel von August Reichensperger und Jean-Baptiste Bethune, 1858-1891, Brussel, 2011, xxii-239 p.
42 €
Samenvatting
Op 16 november 932 wijdde de Luikse bisschop Richer een altaar aan de Heilige Drievuldigheid in de Sint-Lambertuskathedraal van Luik dat hij rijkelijk begiftigde. Hij stelde deze beslissing te boek. Het stichtingscharter is tot vandaag overgeleverd in de vorm van een geïsoleerde historische kopie die is opgenomen in de Gesta episcoporum Tungrensium et Leodiensium van de Luikse kanunnik Anselmus. In dit artikel wil de auteur het belang van dit document onderstrepen, zowel voor de geschiedenis van de Luikse kanselarij als voor de geschiedenis van de Karolingische religieuze hervorming in Lotharingen. Het artikel heeft als bijlage een nieuwe kritische editie van dit document, opgesteld op basis van een confrontatie van zeven kopieën die in twee klassen zijn verdeeld volgens een typologie die verschilt van die van R. Koepke, uitgever van de kroniek van Anselmus voor de Monumenta Germaniae Historica.
Wegens de vele politieke beslommeringen aan het hof van de Franse koning Karel VI besliste Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, om zijn neef en vertrouweling Willem van Namen, heer van Béthune, door middel van een benoemingspatent van 31 augustus 1387 te benoemen tot landvoogd van Vlaanderen, Antwerpen en Mechelen. Daarnaast liet de hertog door zijn Bourgondische kanselarij een informele nota opstellen waarin de bestuurlijke, juridische en militaire bevoegdheden van de gouverneur minutieus werden opgelijst en afgebakend. Deze instructies en voorschriften illustreren de bezorgdheid van de hertogelijke regering in het politiek woelige graafschap Vlaanderen en de uitgesproken wens om de problemen zoals het favoritisme bij magistraatsverkiezingen of de fraudepraktijken bij vorstelijke ambtenaren krachtdadig aan te pakken. De Bourgondische gouverneur werd ook opgedragen om te bemiddelen in talloze belangenconflicten en op te treden tegen het algemene verzuim van militaire en civiele taken en tegen het streven van de Vlaamse onderdanen voor meer politieke autonomie. Op deze manier biedt dit tijdsdocument een unieke inkijk in de bureaucratische mechanismen van de ontluikende Bourgondische staat.
De “Henegouwse tuintjes” (jardinets de Hainaut) stellen het bewuste graafschap op heraldische wijze voor. Dergelijke voorstellingen kunnen verscheidene vormen aannemen: toneelmatige enscenering, gedicht, gravure enz. Dit artikel beschrijft de traditie van de “tuintjes”, van hun oorsprong tijdens de 14de-15de eeuw tot het einde van het ancien régime. De uiterst gecodificeerde structuur van deze heraldisch-politieke voorstelling van een vorstendom wordt bestudeerd met de bedoeling haar bestaansreden en betekenis te verduidelijken. Vervolgens worden enkele typische voorbeelden besproken. Daarbij wordt speciale aandacht besteed aan voorstellingen van de inhuldiging van de graven van Henegouwen, gecombineerd met tekstuitgaven.
Hoewel de sinds 1458 afzonderlijk opgestelde artillerierekeningen van de Bourgondische hertogen op één uitzondering na (Algemeen Rijksarchief, Brussel) verloren zijn gegaan, bevatten de Rijselse Archives départementales du Nord een indrukwekkend aantal documenten ontstaan bij het dagelijks beheer van het wapen. De regering van Karel de Stoute lijkt bijzonder goed vertegenwoordigd, wat waarschijnlijk, en op zijn minst deels, te danken is aan diverse beschuldigingen van corruptie en geldverduistering waarmee zijn ontvanger te kampen kreeg. Hoe dan ook tonen de hier uitgegeven documenten - slechts een selectie uit dit rijke geheel - een prins die druk in de weer was om zijn artillerie te vernieuwen. Dat niet alles van een leien dakje liep, hoeft ons niet te verbazen. Aangekaart vanuit de invalshoek van het administratief en bestuurlijk proces geven de documenten een beeld van de manier waarop de prins en zijn artilleriestaf te werk gingen. Andere mogelijke invalshoeken zijn: economie, financiën, militaire techniek, legerorganisatie, prosopografie, etc. Een voorsmaakje van de rijkdom van dit nog weinig bestudeerde bronnenmateriaal…
Claude Bruneel, La pratique du théâtre à Lessines et dans les campagnes du Hainaut septentrional. L’interdiction des autorités en 1786-1788, p. 155-181.
In Henegouwen leken theatervoorstellingen die de landelijke jeugd na 1760 organiseerde in de smaak te vallen bij het publiek. Meestal konden ze ook op de goedkeuring rekenen van de lokale overheden. Wanneer de kwestie echter aanhangig werd gemaakt bij de voogdijoverheid, de fiscaal advocaat, de provincieraad en de centrale regering, waren dit stuk voor stuk overtuigde voorstanders van een verbod op dit soort vermaak. Vaak werd verwezen naar de bezorgdheid om de veiligheid en de openbare orde. Overbodige uitgaven, het risico van dure processen, het gevaar voor de maatschappelijke orde daar dienstboden hun meesters zouden chanteren om de voorstellingen te kunnen bijwonen…, het waren allemaal argumenten die ook relevant werden geacht. De brede waaier aan bezwaren steunt op een diepgewortelde overtuiging, nl. de zinloosheid van de praktijk. Wat echter als schadelijk werd gezien voor de plattelandsbevolking, leek wel een noodzaak voor stedelingen, zo oordeelde de private raad, die zelfs voorstelde om de voorstellingen voort te zetten tijdens de vasten. De paradox is slechts schijnbaar: opnieuw wordt de beslissing ingegeven door het begrip ‘opportuniteit’. In een stad als Brussel is het theater een geschikt afleidingsmiddel om een onrustige jeugd te beschermen tegen gevaarlijker bekoringen. Het biedt ook het middel om buitenlanders, vooral Engelsen, aan te trekken en hen ertoe te bewegen zich in de hoofdstad te vestigen, wat de lokale handel zeer ten goede komt, in afwachting van de opening van het kuurseizoen in Spa.
Deze bijdrage geeft vooreerst duiding bij de consultatie van de notulen (1892-1940) van de centrale bestuursinstanties van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Een unieke bronnenreeks die na digitalisering via het internet ter beschikking gesteld wordt voor historisch onderzoek.
De archivalische toelichting met studie van het functioneren van het Bureau en de Algemene Raad van de BWP moet de gebruiker inzicht geven in de institutionele ontwikkeling van de socialistische partij vóór Wereldoorlog II. Een administratieve geschiedenis die tot nu toe merkwaardig onderbelicht is gebleven.
De verslagen bieden een vrij volledig en indringend beeld van het intern functioneren van de BWP. De bron is op zijn sterkst in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog en na 1933 (als gevolg van stenografische verslaggeving). Maar het betreft in het algemeen een eersterangsbron voor de studie van de werking van een politieke partij van het sociaaldemocratische type.
Vergaderingen en verslagen 2010, p. 265-331.