Jean-Louis Van Belle
Deux livres d'expéditions de marbres d'un marchand de Beaumont-Rance en Hainaut (1769-1784), Bruxelles, Commission royale d'Histoire, 2010, LXII-275 p. (Collection grand in-8°, C 17) (ISBN 978-2-87044-004-9)
38 €
Samenvatting
Alain Lottin
"Chronique mémorial des choses mémorables par moy Pierre-Ignace Chavatte" (1657-1693), Bruxelles, Commission royale d'Histoire, 2010, XXXIII-512 p. (Collection grand in-8°, C18) (ISBN 978-2-87044-003-2)
48 €
Samenvatting
Thérèse de Hemptinne & Adriaan Verhulst (†)
De oorkonden van de graven van Vlaanderen (juli 1128 - september 1191). Deel II. Uitgave. Band III: Regering van Filips van de Elzas (Tweede deel: 1178-1192), Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2009, CXXXI+457 p.
(Verzameling van de akten der Belgische vorsten, E6) (ISBN 978-2-87044-002-5)
45 €
Samenvatting
Dit jubileumnummer van de Handelingen van de KCG bevat een overzicht van de activiteiten van de Commissie gedurende de afgelopen
vijfentwintig jaar (Claude Bruneel, "De KCG in de laatste vijfentwintig jaar", p. 37-66), alsook de biografische notities van de
leden die overleden zijn gedurende die periode en van diegenen die momenteel in functie zijn (p. 67-159). Verder heeft ieder lid van de
Commissie in dit nummer een originele studie gepubliceerd, namelijk de kritische editie van een onuitgegeven bron over de Belgische
geschiedenis.
Henri Haag, Signification du traité de garantie du 19 avril 1839, d’après Léon Arendt,
p. 161-183.
In tegenstelling tot bepaalde opinies beweren wij dat België vóór 1914 een welomlijnd en doordacht buitenlands beleid
voerde. Dit beleid was gebaseerd op zowel de verdragen van 1831 en 1839 als op het garantieverdrag van 19 april 1839. De trouw van de
grote mogendheden aan de verbintenissen die ze in 1839 waren aangegaan, werd door de Belgische regering lang als twijfelachtig aangezien.
Deze onzekerheid nam nog toe toen er in 1904 er een akkoord gesloten werd tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. In het geval van een
algemene oorlog in Europa zou België hierin noodzakelijk meegesleurd worden. Wat moest er gedaan worden om te voorkomen dat
Frankrijk en Groot-Brittannië uitsluitend in hun eigen belang zouden handelen, zonder voldoende rekening te houden met onze rechten?
Dit was volgens ons de grootste zorg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de vooravond van de oorlog van 1914.
Raoul C. Van Caenegem, De keure van Sint-Omaars van 1127: een politiek document, p. 185-202.
De keure van 14 april 1127, door Willem Clito, graaf van Vlaanderen, verleend aan de stad Sint-Omaars werd reeds herhaaldelijk
bestudeerd als bron voor de rechtsgeschiedenis. Hier wordt ze onderzocht als een politiek document. Graaf Willem en de commune van
Sint-Omaars hadden uiteenlopende ambities, zoals o.m. blijkt uit de artikelen over de rol van de schepenbank en de gezworenen, de
inkomsten uit de grafelijke Munt of de algemene verplichting, ook voor de graaf, om de wet na te leven. De auteur formuleert tot
besluit enkele kritische bemerkingen bij de Franse vertaling van 1789 en de Engelse van 1982 en legt zijn eigen Nederlandse
vertaling voor van de volledige oorspronkelijke Latijnse tekst.
Reginald De Schryver, Koning Albert over zijn « Reis naar Parijs », 1-5 april 1919, ter ondersteuning van
de Belgische verlangens en belangen op de vredesconferentie,
p. 203-212.
Op verzoek van minister van Buitenlandse Zaken Paul Hymans begaf koning Albert zich begin april 1919 naar Parijs waar het
vredesverdrag van Versailles werd voorbereid. Opzet van de koninklijke reis was met een aantal geallieerde politieke leiders vooral
vier voor België bijzonder belangrijke kwesties te bespreken:
De belangrijkste gesprekpartners van koning Albert waren Poincaré, Clemenceau, Lloyd George, Balfour, President Wilson.
Jean-Jacques Hoebanx (†), Ordonnance pour la vendicion des Bois de Nivelle pour l’an 1587, p. 213-223.
Bossen en wouden zijn voor hun eigenaars een patrimonium dat moet worden beschermd. Dat gold onder meer voor sommige bossen in
Waals-Brabant die toebehoorden aan het kapittel van Nijvel en aan de hertogen van Brabant.
Diverse ordonnanties hebben betrekking op deze bossen. Eén daarvan, de ordonnantie van 1587, handelt over de ontginning van de
bomen die er worden gekapt en over hun wijze van verkoop.
Walter Prevenier, Vorstelijke genade in de praktijk. Remissiebrief voor Matthieu Cricke en diens mede-acteurs voor
vermeende vrouwenroof in oktober 1476, slechts geïnterneerd na kritische verificatie door de raadsheren van het Parlement
van Mechelen, p. 225-258.
In oktober 1475 verleent de Bourgondische hertog Karel de Stoute genade aan theaterspeler Mathieu Cricke en diens medeacteurs,
gevangen gezet na klacht van de Mechelse burgerman Jan van Musene voor vrouwenroof, in de persoon van diens maîtresse, actrice
en gewezen prostituee Maria van der Hoeven. Cricke en de zijnen leggen hun remissiebrief voor aan het Hof van het Parlement
van Mechelen, met het oog op ratificatie (interinement) ervan, doch Van Musene en de zijnen tekenen hiertegen verzet aan. Om de
echtheid van het vermeende misdrijf en de gegrondheid van het verzet te toetsen, starten de raadsheren van het Parlement een
door de procedure voorziene grondige ‘inqueste’. Niet minder dan achttien ooggetuigen van de gebeurtenissen in Diest,
Gempe en Leuven worden opgespoord en kritisch ondervraagd. Het uiteindelijke vonnis geeft bevel tot ratificatie en uitvoering van
de genademaatregel. Cricke en zijn medeverdachten worden vrijgesproken van vrouwenroof, maar wel veroordeeld voor de ondergeschikte
klachten van fysiek en verbaal geweld op Van Musene en de zijnen. Het innen van de daar bijbehorende boete sleept jaren aan, doordat
geen enkele deurwaarder het aandurft de achterstallen te gaan opeisen bij de als sociaal gevaarlijk bestempelde leden van Cricke’s
groep. De aanwezigheid in deze casus van vier uiteenlopende types van teksten (genadebrief, verzoek tot ratificatie, ‘inqueste
’ en betalingen van de boete) heeft het methodologisch voordeel concreet aan te tonen hoe een genademaatregel gefaseerd is en
gerelativeerd moet worden. Genade verlenen is weliswaar een exclusief voorrecht van de vorst, vrij en zonder beperking. De juridische
en politieke opportuniteit van uitvoering is evenwel afhankelijk van de toetsing der feiten door een van de hogere vorstelijke
gerechtshoven. De vele tegenstrijdigheden over dezelfde gebeurtenissen tussen de uitspraken van de betrokken partijen en van de talrijke
ondervraagde getuigen, en de contradictorische standpunten van de rechters en de vorstelijke ambtenaren, bieden een unieke kans tot
scherper inzicht in ideologische opvattingen, sociale gedragspatronen, en de impact van netwerken in de 15de eeuw.
Ludo Milis, Getuigenverhoren als aanloop tot een proces. Elementen uit het Mechelse strafdossier tegen Jan Schuermans,
pastoor van Ename, in het midden van de zeventiende eeuw, p. 259-265.
In dit artikel worden enkele getuigenverklaringen uitgegeven die afgenomen werden van vrouwen betrokken in een seksueel schandaal in
1648. Tijdens de feesten naar aanleiding van de afkondiging van de Vrede van Münster had pastoor Jan Schuermans van Ename (bij
Oudenaarde) een meisje verleid dat zwanger werd en een kind baarde. Het bleek dat hij nog andere vrouwen lastig had gevallen. Het
schandaal leidde tot een proces dat voor de officialiteit van het aartsbisdom Mechelen werd gevoerd. De veroordeling die volgde, zou
Schuermans levenslang blijven achtervolgen.
Claude Bruneel, Sous le souffle de Paris : les Pays-Bas autrichiens au lendemain du 14 juillet 1789,
p. 267-320.
Alleen al afgaand op de pers uit die tijd, wekten de gebeurtenissen die zich in 1789 in Frankrijk voltrokken grote belangstelling in
de Oostenrijkse Nederlanden. De opkomst van de Staten-Generaal en zijn vervolg wekten de nieuwsgierigheid en zelfs het enthousiasme van
sommige intellectuelen. Over de inname van de Bastille werd er minder gesproken. Aan de hand van het archief van het ‘Comité
secret’, dat binnen de Algemene regeringsraad was opgericht, kan men bijna dag na dag de evolutie volgen van de publieke opinie in
de verschillende delen van het land. Het archief werpt ook licht op de zowel officiële als offi-cieuze informatiekanalen van de
centrale overheid. In de grote steden begonnen sommigen ervan te dromen het voorbeeld van de Parijzenaars te volgen, daartoe gedreven
door de duurte van het graan en de sociale tegenstellingen die op de spits werden gedreven. In kleinere steden en op het platteland
evolueerden de gevoelens van passie naar onverschilligheid, ook al had de zin voor materiële belangen steeds de bovenhand.
Natuurlijk waren de grensgebieden het meest blootgesteld. Daar maakten de lokale overheden zich zorgen over de introductie van kokardes
of over de komst van een grote menigte luidruchtige Fransen, die echter vreedzame kopers bleken te zijn van levensmiddelen die ze bij hen
niet meer vonden. Ook geruchten zonder enige grond van waarheid deden de ronde, waardoor er tijdelijk vluchtelingen op de wegen te zien
waren. Het waren lokale boeren en monniken uit de omgeving die bang waren voor het geweld en de plunderingen van hele troepen vagebonden
ie zogezegd uit Parijs kwamen. De uit Frankrijk afkomstige koorts ging echter al snel weer liggen en de problemen die eigen waren aan het
land, trokken opnieuw de aandacht. Een Frans diplomaat voorspelde: ‘De revolutie van de Lage Landen is nakend.’
Jean-Louis Kupper, Aux origines de la cité de Liège. Sur deux chartes inédites de 1171 et 1266,
p. 321-342.
Bij gebrek aan voldoende documenten die bovendien duidelijk genoeg moeten zijn, bezitten we nog steeds weinig inzicht in de ontwikkeling
van de stad Luik op basis van een oorspronkelijke ‘prestedelijke kern’. Terwijl het bestaan van een ‘nieuwe
koopmansburg ’ of novus vicus voldoende geattesteerd is en de ligging ervan duidelijk is bepaald, heerst er
onduidelijkheid over de ligging van de vetus vicus of ‘oorspronkelijke burg’.
Deze studie heeft tot doel aan te tonen dat de ‘oude burg’ in werkelijkheid overeenkomt met de parochie van
Saint-André-sur-le-Marché en dat het bestaan ervan zou dateren van de 9de of 10de eeuw.
Jean-Marie Duvosquel, Le tarif du tonlieu et du winage de Comines établi en 1354 et son renouvellement en 1542, p. 343-370.
De stad Komen, in het graafschap Vlaanderen, nam in de 14de eeuw op commercieel vlak een strategische plaats in: daar
eindigde immers de weg van Ieper die de lakenstad, die een haven ontbeerde, via de Leie verbond met het Scheldebekken. Daar ook passeerde
al het verkeer in deze regio – komende van Rijsel via de Deûle en in de richting van Gent reizend of omgekeerd – het
‘gat van Komen’, voorouder van onze sluizen. Het goederenverkeer was zo belangrijk dat de heer van Komen de invordering van
de rechten van winage (verkeer) en standgeld (verkoop) in leen gaf. Naar aanleiding van een conflict werd in 1354 een nieuw tarief
vastgesteld in onderling akkoord tussen de heer en de leenhouder (die belast was met het onderhoud van de havens) enerzijds en de stad
(verantwoordelijk voor de wegen) anderzijds, nadat onderzoek was verricht naar de praktijken in Rijsel, Menen en Waasten. Alles wat
betrekking had op de lakennijverheid bekleedde natuurlijk een belangrijke plaats in dit tarief.
Jean-Marie Cauchies, La confection d’un privilège pour le chapitre Saint-Ursmer de Binche (1458), p. 371-385.
Een verzoekschrift op papier van het kapittel Saint-Ursmer in Binche aan Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van
Henegouwen, lag rechtstreeks aan de basis van de minuut van een hertogelijke akte, die elders bekend is. Aantekeningen in de rand maken
het bovendien mogelijk om het proces van totstandkoming van die akte te reconstrueren. Uit doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen
blijkt hoe de tekst van de kanunniken werd verwerkt en aangepast door de personen die belast waren met de redactie van de akte, zowel
aan het hof als bij de kanselarij. Het beoogde doel is de vermeende gerechtelijke immuniteit van de gemeenschap van Binche ten opzichte
van alle geestelijke en wereldlijke rechters. Het dossier bevat ook de minuut van een brief van Filips de Goede aan de bisschop van
Kamerijk betreffende de naleving van dit privilege. De bewaarde documenten illustreren in de eerste plaats een handelwijze en een zorg
om een woordgebruik vanwege de overheden en de uitvoerders die betrokken waren bij de uitvoering van het werk.
Guy Vanthemsche, Britse diplomaten en Belgische hofintriges (oktober 1939). Enkele documenten over de aanloop naar
de Koningskwestie, p. 387-412.
In september en oktober 1939 was de Belgische binnenlandse en buitenlandse politieke toestand bijzonder bewogen. Enkele onuitgegeven
documenten bewaard in het archief van het Britse Foreign Office (National Archives, Londen) werpen nieuw licht op bepaalde episodes
van die cruciale periode. Ten eerste betreffen ze een vermeend plan, uitgedacht in hofkringen, om de zittende regering-Pierlot aan de
dijk te zetten. Ten tweede handelen ze over de door sommigen nefast geachte invloed die generaal van Overstraeten, militair raadgever
van koning Leopold III, in diezelfde hofkringen uitoefende. Een politieke oudgediende, ex-Premier Charles de Broqueville, wilde de
Britse autoriteiten inschakelen om de Belgische vorst ertoe aan te zetten de generaal te ontslaan.
Claude de Moreau de Gerbehaye, Une dépêche cryptée adressée au gouverneur luxembourgeois de
la forteresse de Montmédy (1637), p. 413-446.
In het begin van de 17de eeuw was het uiterste zuiden van de Spaanse Nederlanden bezaaid met kleine forten langs de grens
met het hertogdom Bar en een krans van neutrale gronden en onverdeelde enclaves. De regering van Richelieu, een vergangsregering tussen
de godsdienstoorlogen en het expansio-nisme van Lodewijk XIV, wilde vrede stichten langs de kwetsbare grens van de Champagne, aan
weerskanten van de Maas, de intrigerende naburige vorsten (Lotharingen-Bar, Bouillon-Sedan, Verdun enzovoort) neutraliseren en zo
nodig aanpalende gebieden annexeren die ze in een kwetsbare situatie zouden plaatsen.
In deze context kwam het zuiden van het hertogdom Luxemburg terecht in een zodanige situatie van onveiligheid dat de burchtgouverneurs
gebruik maakten van gecodeerde berichten. De uitgegeven tekst, die vrij onbewerkt is, vervolledigt en vult in de grote lijnen de
informatie aan die afkomstig is uit de verhalende en boekhoudkundige bronnen over de campagne van de maarschalk van Châtillon in
1637 en voegt er de pathetische toets van de angst voor onderschepping aan toe.
Gustaaf Janssens, Het “politiek testament” van de hertog van Alva: aanbevelingen voor don Luis de
Requeséns over het te voeren beleid in de Nederlanden (Brussel, 2 december 1573), p. 447-474.
Op 2 december 1573, enkele dagen voor zijn vertrek uit de Nederlanden, stelde de hertog van Alva ten behoeve van zijn opvolger Luis de
Requeséns een memorandum op. Dit stuk, dat in bijlage bij deze bijdrage wordt gepubliceerd, verwoordt de visie van de hertog over
het te voeren beleid in de Nederlanden en laat toe zijn optreden als landvoogd beter te begrijpen.
Jozef Van Loon, De Vita Landoaldi (anno 980) als prosopografische en historische bron, p. 475-507.
Sedert Oswald Holder-Egger in 1888 een vernietigend oordeel over de historische waarde van de Vita Sancti Landoaldi uitsprak,
zijn alle latere auteurs hem daarin zonder meer gevolgd. Uit een nieuwe analyse van de originele tekst van de vita blijkt dat de daarin
meegedeelde gegevens betrouwbaarder zijn dan tot dusver is aangenomen en een nieuw licht werpen op de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van
Wintershoven en van het Bisdom Luik. Een nauwkeurige tekstlectuur laat tevens zien dat Notker en Heriger niet zelf het initiatief tot
het schrijven van de vita hebben genomen maar dat slechts aarzelend hebben gedaan, wellicht gevolg gevend aan hogere politieke belangen.
Herman Van Goethem, In de spiegel van politieverslagen. De Antwerpse Jodenrazzia van 15-16 augustus 1942, p. 509-540.
De Belgische secretarissen-generaal stemden in het najaar van 1940 principieel in met de medewerking van de Belgische overheden aan de
discriminatoire anti-Joodse nazi-regelgeving. In het verlengde daarvan werkte de Antwerpse politie in augustus-september 1942 op formeel
bevel van hoofdcommissaris De Potter mee aan massale Jodenrazzia’s. In dit artikel analyseren we de eerste razzia, van 15-16
augustus. Het blijkt dat sommige agenten zich bij de uitvoering erg laks opstelden, anderen werkten met veel overtuiging mee.
Een analyse van het verslag van de adjunct-commissaris van de 6de wijk toont aan dat het om een zeer minimalistische weergave van de
feiten ging. De ambtenaar wilde vooral zijn verantwoordelijkheid indekken. Anderzijds werden ook in de rand van de razzia verslagen
opgesteld. In hun globaliteit laten ze duidelijk blijken dat het om een zeer gewelddadige gebeurtenis ging. Burgemeester Delwaide en
procureur des konings Baers waren dan ook degelijk ingelicht over wat er zich afgespeeld had in de nacht van 15 op 16 augustus.
Bruno Demoulin, La France et les Pays-Bas autrichiens à l’aube du XVIIIe siècle, p. 541-553.
De instructies (1728) bestemd voor de heer Chaillon de Jonville, eerste Franse officiële vertegenwoordiger te Brussel in de
18de eeuw, werpen een nieuw licht op het beleid van Versailles ten aanzien van de Oostenrijkse Nederlanden. De opmerkelijke
voortzetting van de Franse diplomatie vanaf de 18de eeuw tot op heden ten aanzien van zijn noordelijke buur moet onderstreept
worden, afgezien natuurlijk van de periode tussen 1795 en 1815.
Valérie Piette, Vivre la guerre 14-18. Vivre l’exil. Le journal de Marguerite de Villers Grand Champs, p. 555-594.
Het dagboek van barones Marguerite de Crombrugghe de Looringhe, echtgenote van Villers Grand Champs, biedt een zeldzame kijk op
de Eerste Wereldoorlog. Dit dagboek, geschreven van juli tot december 1914, dompelt ons onder in het dagelijks leven van een
aristocratische familie die al gauw zou worden getroffen door de oorlog en al zijn verschrikkingen. Geboorte en leven gaan er hand in
hand met de dood, vrees en angst. Terwijl de Duitse legers oprukken, vlucht de familie de Crombrugghe naar de kust, in de hoop naar
Engeland te kunnen ontkomen. Dat lukte echter niet en de familie moest aan de kust verblijven. We krijgen vervolgens een beschrijving
van de vele listen om onderdak of eten te vinden, nieuws in te winnen over dierbaren, aan geld te geraken… Samen met haar
jonge kinderen voegt Marguerite zich bij haar man Henry de Villers in Engeland en laat ze ons delen in het verhaal van de Belgische
ballingen.
Jo Tollebeek, Een schooljongen op straf. Brieven van Karel van de Woestijne aan Gustave van de Woestijne, p. 595-634.
Deze editie omvat vijf brieven die de dichter Karel van de Woestijne in 1918-1919 schreef aan zijn in Engeland verblijvende broer, de
schilder Gustave van de Woestijne. Ze zijn afkomstig uit het Archief Gustave van de Woestijne dat in het Universiteitsarchief van de
K.U.Leuven wordt bewaard. De brieven tonen twee zorgelijke broers: hoe de oorlog te boven komen? Tegelijkertijd echter wordt ook licht
geworpen op de artistieke preoccupaties van de beide broers: Karel van de Woestijne reflecteert op zijn isolement in België en
evalueert het eigen literaire werk, het oeuvre dat zijn broer in Britse ballingschap heeft gemaakt en de creaties van andere kunstenaars,
uit de eigen Latemse groep van weleer of van de jongere generatie. Naast deze vijf brieven bevat deze editie ook een uit 1915 daterende
brief van de jongere broer Maurice van de Woestijne aan Gustave van de Woestijne, waarin onder meer de politieke positie van Karel van
de Woestijne in deze oorlogstijd wordt besproken.
Jean-Marie Yante, Draps brabançons et conduit des foires de Champagne. À propos d’un acte de 1340, p. 635-654.
In 1340 organiseerden de wachters en de kanselier van de jaarmarkten van Champagne en Brie de schadeloosstelling van de kooplieden van
Dijon en Milaan die waren beroofd van hun Brabantse lakens door toedoen van de heren van Apremont in Marbotte, in de streek van de
Haute-Meuse. De graaf van Bar, houder van het hoge geleide, wordt gedeeltelijk aansprakelijk gesteld voor een over zeven jaar gespreide
terugbetaling. De akte werpt een welgekomen licht op het geleide van de jaarmarkten, een pijler van deze bijeenkomsten in de Champagne,
op de plaats van het Brabants textiel tijdens de laatste periode van deze ontmoetingen en op de activiteit van het handelskoppel
Dijon-Milaan, opmerkelijk wegens de duur en de veelvormige aard ervan.
Patricia Van den Eeckhout & Guy Vanthemsche, eds.
Bronnen voor de studie van het hedendaagse België 19e - 21e eeuw. Tweede herziene en uitgebreide uitgave. Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis / Commission royale d’Histoire, 2009, 1630 p.
50 €
Samenvatting
Guy Vanthemsche, ed.
Le Congo belge pendant la Première Guerre mondiale. Les rapports du ministre des Colonies Jules Renkin au roi Albert Ier (1914-1918). Edités par Guy Vanthemsche. Bruxelles, Commission royale d’Histoire, 2009, 241 p.
Samenvatting