Steven VANDERPUTTEN editeert op basis van een 17de-eeuwse kopie een kroniek in het Middelnederlands die behoort tot het genre van de gesta episcoporum: Het turbulente verleden van de Luikse prinsbischoppen door de ogen van een inwoner van het oude graafschap Loon: de Chronijk van Luyk, toegeschreven aan Petrus Treckpoel (1442-circa 1507-8), p. 5-88. Dit relaas is het werk van een inwoner van het graafschap Looz: van Petrus Treckpoels (1442-1506?) zelf of in ieder geval van een nauwe verwant. De auteur biedt een heel persoonlijk oordeel over feiten die hij selecteert tijdens de opeenvolgende bewindsperiodes van de prins-bisschoppen van Luik tot in 1506. Het gaat om feiten van regionaal belang die stuk voor stuk tot doel hebben de constante spanningen te illustreren die heersten tussen de opstandige Luikenaars en het legitieme bewind. De commentaar is moraliserend en is overigens doordrongen van een zekere naïviteit.
José Eloy HORTAL MUÑOZ, La visión de un ministro « castellanista » sobre la situación de los Paises Bajos al final del siglo XVI : los « advertimientos » de Esteban de Ibarra , p. 89-166. Deze laatste, raadgever en eerste secretaris van het Secretariaat van Staat en Oorlog, was nauw betrokken bij de staatszaken van de Lage Landen. In 1596 stelde hij zijn ervaring ten dienste van aartshertog Albrecht en stelde hij een dossier samen dat vandaag wordt bewaard in het Archief van Simancas. De auteur heeft daar vier stukken uit gehaald die hij editeert. Ze schetsen het portret van de leden van de collaterale raden en van andere belangrijke figuren die bij het bestuur van de Staat betrokken waren.
Henri HAAG, Le mémoire de Léon Arendt et les Conseils des ministres d’août 1914, p. 167-257, biedt een interpretatie van de toetreding van België tot de oorlog die afwijkt van de klassieke zienswijzen. De auteur licht zijn standpunt toe in een gedetailleerde inleiding. Het resultaat van zijn analyse is een nota die hij editeert maar waar de Belgische geschiedkundigen gewoonlijk geen oog voor hebben. De titel luidt: ‘En cas de guerre, que ferons-nous?’. De tekst werd in november 1911 opgesteld door Léon Arendt, algemeen directeur Beleid op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een heel eind vóór 1914 immers kregen de overheden regelmatig kennis van de bedreiging van een grote oorlog en een invasie. De nota geeft weliswaar het standpunt van de auteur weer, maar dat wordt gedeeld door de andere leden van het ministerie. Het ‘systeem’, om het woord over te nemen dat Arendt zelf gebruikte, steunde op een ideaal van permanente neutraliteit. In 1912 aanvaardde de regering de belangrijkste punten van het plan. De ideeën van Arendt hadden dus een grote invloed op het beleid van het land tijdens de ministerraden in het begin van augustus 1914 en met name tijdens de ministerraad op de 4de dag van die maand. In tegenstelling met wat sommigen beweren, was de rol van de ministers van Staat verre van doorslaggevend tijdens de ministerraad van 2 augustus. Ze werden slechts voor de vorm geraadpleegd. Niet de Koning maar het ministerie was de grote bezieler van de politiek van neutraliteit, nog vóór het uitbreken van de oorlog.
In de jaren 1930 nam de internationale spanning voelbaar toe. In Duitsland won het nationaalsocialisme steeds meer macht. Anderzijds hadden België en Frankrijk in 1920 een geheim militair akkoord gesloten. Frankrijk beschouwde dat akkoord als een echt alliantieverdrag dat aan zijn legers, in geval van nood, het recht van doorgang op het Belgisch grondgebied verleende. Ook andere bepalingen van de overeenkomst gaven aanleiding tot afwijkende interpretaties. Om te voorkomen dat het land ondanks zichzelf werd meegesleurd in een militair optreden, was baron Van Zuylen, algemeen directeur Beleid op het ministerie van Buitenlandse Zaken, ervan overtuigd dat België over een nieuw internationaal statuut moest beschikken. Dit statuut zou het voor België mogelijk moeten maken zijn eigen buitenlands beleid te voeren, gekenmerkt door niet-gebondenheid. In de studie die hier wordt voorgesteld en die gepaard gaat met de editie van dertig documenten heeft Gustaaf JANSSENS (Paul-Henri Spaak en het begin van de Belgische onafhankelijkheidspolitiek (1936-1937), p. 259-391) heel bijzonder aandacht voor drie nota’s die de jonge socialistische minister van Buitenlandse Zaken aan koning Leopold III richtte. Deze rapporten, die in het Archief van het Koninklijk Paleis worden bewaard en tot vandaag zo goed als werden genegeerd, illustreren de visie van de minister op de internationale positie van België. Ze belichten tevens de wijze waarop de Koning, met zijn diplomatieke raadgevers, en de Eerste Minister vorm hebben gegeven aan dit onafhankelijkheidsbeleid en de prioriteiten daarvan heeft bepaald.

Naast het administratieve deel (vijf vergaderingen in 2006 en jaarverslag 2005) bevat dit volume vijf wetenschappelijke bijdragen.
Olivier VANDERHAEGEN, die daarvoor werd bekroond met de Prijs Bryce and Mary Lyon. De auteur verzorgt de editie van La correspondance de dom Nicolas Spirlet, dernier abbé de Saint-Hubert avec Patrice-François de Neny, chef-président du Conseil privé des Pays-Bas autrichiens (1760-1782).
Het gaat om 182 brieven, waarvan 60 van de Neny, die werden aangetroffen in verschillende archieven. Deze documenten bieden niet alleen inzicht in de politieke geschiedenis van de betrokken periode, maar onthullen in de privé-elementen van deze briefwisseling ook minder bekende aspecten van beide figuren. Spirlet, een moeilijk man, koesterde persoonlijke ambities; hij wenste dat zijn gebied een bisdom zou worden waarvan hij zelf bisschop wilde worden. Hij trad al lang op als informateur en zelfs als bemiddelaar van de regering in Brussel, met name in de betrekkingen met het prinsbisdom Luik en met Frankrijk. Hij zocht steun bij de koning om zijn conflicten met zijn monastieke gemeenschap of met de aan zijn jurisdictie onderworpen inwoners op te lossen. De volledige briefwisseling geeft de bijzonder ingewikkelde situatie van een gebied met feodale structuren en klassieke heerlijkheden goed weer; bovendien heeft de internationale politiek ook belangstelling voor het bewuste gebied. Als gevolg van zijn geografische ligging wekt het de hebzucht op van vreemde mogendheden.
Naast het administratieve gedeelte (vergaderingen gehouden in 2004 en verslag van het jaar 2003), telt dit volume zes wetenschappelijke bijdragen:
Véronique FLAMMANG
Le dénombrement de la seigneurie de Hallines (comté d’Artois) en 1440s, p. 5-40
Dit perkament is 2,65 m lang en beschrijft nauwgezet de uiterst complexe juridische en landbouwkundige situaties die kunnen voorkomen binnen een zelfs bescheiden heerlijkheid zoals dit plaatsje in het Pas-de-Calais. De editie van dit enige bekende exemplaar van de tekst is des te meer verantwoord, daar de gemeente Halluin (arrondissement Rijsel), waar het vandaag wordt bewaard, heeft beslist afstand te doen van het stuk. Een index van de persoons- en plaatsnamen maakt de raadpleging van deze studie er heel wat makkelijker op.
Jean-Marie CAUCHIES, De la « régenterie » à l’autonomie. Deux ordonnances de cour et de gouvernement de Maximilien et Philippe le Beau (1495), p. 41-88is werkelijk een voorbeeld van editie. Beide teksten beschrijven de formele structuur van de omgeving van aartshertog Filips. Ze getuigen vooral van het streven naar zelfstandigheid van een zoon ten opzichte van zijn vader en van de weerstand van deze laatste.
Monique WEIS, Du baume diplomatique sur les ravages de la guerre. La correspondance échangée entre le duc d’Albe et le duc de Clèves en 1568, p. 89-134.
bevat de editie van twintig brieven in oud-Duits die het Algemeen Rijksarchief in Brussel bewaart in het fonds van de Duitse Staatssecretarie. De regesten bevorderen een doorgedreven gebruik van de teksten, ondanks de taalmoeilijkheden. In de lente van 1568, tijdens de opstand van de Nederlanden, verwoestten de troepen van de hertog van Alva het hertogdom Kleef en het bisdom Münster. De oorlogsschade in deze gebieden, die geen oorlog voerden, was aanzienlijk en de bevolking werd er zwaar op de proef gesteld. Willem V van Kleef maakte hierover zijn beklag bij de gouverneur-generaal. In de briefwisseling lezen we ook dat de hertog zorgde voor de opvang van vluchtelingen, politieke ballingen of onruststokers. Ze geeft ook toelichting bij het beleid van Willem V op godsdienstig vlak, dat lange tijd dubbelzinnig was. De antwoorden op de klachten blijven vrij ontwijkend.
Violet SOEN, Een vredesgezant worstelt met de Pacificatie van Gent. De vreemde wendingen van de vredesmissie in de Nederlanden van Jan van Noircarmes, baron van Selles (1577-1580),
p. 135-193
>publiceert tien brieven en een memorandum, in het Frans of het Spaans, afkomstig uit de archieven van Brussel en Simancas, aangevuld met een index van persoonsnamen. Dankzij deze documenten kunnen we van nabij het verloop volgen van de moeilijke diplomatieke missie die werd toevertrouwd aan deze edelman uit Artesië, kapitein-generaal van de wacht aan het hof in Madrid. De baron van Selles kreeg de opdracht de Nederlanden terug te brengen op het rechte politieke en religieuze pad. Zijn komst sloot aan bij het plan om Margareta van Parma als bemiddelaarster naar de Nederlanden te sturen. De geïmproviseerde magistraat, die in het zoeken naar een geschikte oplossing te maken kreeg met protagonisten die wegens hun eisen moeilijk nader tot elkaar konden worden gebracht, nam het ene ongelukkige initiatief na het andere en handelde op eigen houtje. Zijn missie was duidelijk een mislukking. Toch kwam hij opnieuw boven water, met al even weinig succes, naar aanleiding van de Unie van Atrecht. Na de verzoening van de Waalse provincies kende hij ook in zijn militaire loopbaan geen succes en hij overleed in gevangenschap.
Guy THEWES, Un territoire indéfendable ? L’état des forteresses aux Pays-Bas autrichiens en 1725 d’après un mémoire élaboré sous la direction du comte de Daun, p. 193-271.
Karel VI, vastbesloten om de Nederlanden te behouden, moest passende maatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. In 1716 bleek een hervorming van het leger noodzakelijk. Het netwerk van forten was een belangrijk element om ze te beschermen. Bijgevolg werd niet alleen het aantal manschappen geteld, maar werd ook een onderzoek gevoerd naar de staat van de forten die de Oostenrijkers hadden overgenomen, met uitzondering van de Barrièresteden. Het besluit van het onderzoek, een lang anoniem verslag, werd opgesteld op grond van de antwoorden van de gouverneurs of officieren van de hoofdkwartieren in de verschillende steden. Het heeft betrekking op ongeveer dertig installaties. Eén exemplaar wordt bewaard in het Algemeen Rijksarchief in Brussel, een ander in het Kriegsarchiv in Wenen. Terwijl de leiding van het onderzoek in handen was van de waarnemende gouverneur-generaal, kan de uitvoering zijn toevertrouwd aan graaf Eugène Hyacinthe de Lannoy, kolonel-eigenaar van een Waals infanterieregiment. Het document stelt een balans voor van de sterke en de zwakke punten van het netwerk van forten in de Nederlanden, telkens met het aantal artilleriestukken, de voorraad oorlogsmunitie, pionierswerktuigen, de onderhoudskosten en de raming van het bedrag van de noodzakelijke investeringen.
G. Thewes heeft lange uittreksels van dit lijvige handschrift uitgegeven: de algemene inleiding, de verslagen over de forten van Luxemburg en Oostende, over de citadel van Antwerpen met de forten die ervan afhangen en, tot slot, het ‘algemene overzicht’ of samenvattende tabel. De uitgave wordt verrijkt met een bijzonder nuttig lexicon van de vele technische termen en met een index van persoons- en plaatsnamen.
A.S. NAMAZOVA, Guide des documents relatifs à l’histoire de Belgique conservés dans les archives des institutions publiques de Moscou (1778-1940), p. 243-370
De tekst van deze handleiding die volledig werd herzien door mevrouw Françoise Thomas, wetenschappelijk medewerkster aan de Académie royale de Belgique, wijkt sterk af van de versie die mevrouw Namazova in 2004 in een beperkte oplage en onder dezelfde titel, in het Russisch en het Frans, publiceerde. De inventaris geeft een overzicht van de documenten over België die worden bewaard in de belangrijkste archieven in Moskou: het archief over het buitenlands beleid van het Russische Keizerrijk (AVPRI), het Rijksarchief van de Russische Federatie (GARF), het archief van de sociaal-politieke geschiedenis van Rusland (RGASPI), het militair staatsarchief van Rusland (RGVA), het archief voor militaire geschiedenis van Rusland (RGVIA), het archief voor literatuur en kunstgeschiedenis van Rusland (RGALI), de verzamelingen van het Centraal Rijksmuseum van de muziekcultuur ‘M.I. Glinka’ (TSMMKG) en van het departement Handschriften van de Staatsbibliotheek van Rusland. De inhoud is bijzonder verscheiden, gaande van opmerkingen van de Russische consul in Oostende over het uitbreken van de Brabantse Omwenteling tot het archief van het parket van het Krijgsauditoraat voor de jaren 1866 tot 1940. Tal van fondsen hebben betrekking op Belgische ondernemingen in Rusland vóór de Revolutie, op internationale of private organisaties, kranten- en tijdschriftredacties, groeperingen van vrijmetselaars en ook op individuen. De grote rijkdom van deze archieven is gemakkelijk af te meten aan de hand van de index van persoonsnamen die Françoise Thomas heeft opgesteld. Deze index bevat bijna vierhonderd namen van politici, diplomaten en academici, evenals van zakenlieden, schrijvers en journalisten.
Rob WECKX, De Nederlandstalige schepenakten van Diest van 1306 tot 1325, berustend in het Stadsarchief te Diest, p. 5-168 Vervolg op de uitgave van dezelfde auteur voor de jaren 1265 tot 1306, gepubliceerd in de Handelingen van 2002. De 175 akten in deze editie bieden niet alleen een kijk op de verschillende aspecten van de activiteiten van de schepenen in een kleine Brabantse stad, maar zijn ook bijzonder waardevol voor de studie van het Middelnederlands. Het stadsbestuur van Diest maakte sneller dan de omliggende steden gebruik van de volkstaal in officiële aangelegenheden. Een index van persoons- en plaatsnamen vergemakkelijkt de raadpleging.
Julie VERSELE, Rapport de Gerónimo de Roda sur le fonctionnement du Conseil des Troubles aux Pays-Bas, suivi de suggestions pour sa réforme (s.d.-1571 ?), p. 169-191, In deze uitgave wordt de vermoedelijke auteur van twee anonieme rapporten in het Spaans geïdentificeerd. Blijkbaar gaat het om een lid van de Raad zelf. De documenten waren gericht aan Filips II en bevatten belangrijke informatie over de samenstelling van de vergadering. Ze bieden ook inzicht in de problemen die inherent waren aan de werking van de vergadering en stellen mogelijke oplossingen voor om die problemen te verhelpen.